Stap 4: Gesprek(ken) voeren
4.3. Besluiten en doelen toesten

Besluiten en doelen toetsen

Als u uw besluiten langs de checklist ‘Goed besluit’ houdt en u kunt de vragen goed beantwoorden, dan heeft u een goed, realiseerbaar besluit genomen. De checklist kunt u in het downloadmenu vinden.

Door de doelen die aan uw afspraken en besluiten ten grondslag liggen, precies te omschrijven en eventueel in stappen te verdelen, vergroot u de kans dat u ze echt bereikt. U krijgt uw doelen goed scherp en preciezer door er samen steeds vragen over te stellen en ze zo nodig wat bij te stellen.

 

SMART

Als u uw doel(en) SMART, dat wil zeggen S(pecifiek), M(eetbaar) A(cceptabel) R(ealistisch) en T(ijdgebonden) maakt, hebt u de meeste kans ze te bereiken. Doe daarom een SMART-toets op ieder doel. De checklist in het downloadmenu geeft een voorbeeld en een 'doe-het-zelf-versie'.

  • Specifiek: Het doel precies verwoorden, het liefst als een reeks te zetten stappen. Dan kunt u bepalen waar u bent, wat u al hebt gedaan en wat u nog moet doen. U voorkomt zo dat het doel een vormeloos geheel lijkt waar geen beginnen aan is. Zorg voor een concrete, ondubbelzinnige beschrijving (gebruik een werkwoord).
  • Meetbaar: Meetbaarheid maakt het doel overzichtelijk. Iets leuker maken kun je moeilijk meten, een bepaald aantal bestede uren wel. Van een doel met een meetbaar aspect kunt u beter nagaan of het resultaat al dan niet is bereikt. Formuleer het doel daarom meetbaar, ook eventuele tussenstappen.
  • Acceptabel: Uw doel moet ook acceptabel zijn, voor uzelf en voor anderen in de (werk)omgeving. Zonder draagvlak beklijft het niet. Een ander aspect van acceptabel is ‘goed bij u passen’, bij uw karakter of bedrijf.
  • Realistisch: Kan het, wat u wilt doen? Is het doel niet te hoog gegrepen of te laag gesteld? Te hoog gestelde doelen zijn zo onbereikbaar dat u het niet eens gaat proberen.Te laag gestelde doelen maken te weinig energie bij u los. En sommige doelen kunnen alleen worden gerealiseerd als er hulp wordt georganiseerd: een training, opleiding of inschakeling van collega’s.
  • Tijdgebonden: Voorzie een doel van een streefdatum, termijn of tijdpad (als het doel in verschillende stappen wordt bereikt). Probeer niet te snel alles te willen en ook niet te langzaam te gaan. Met een goed tijdpad kunt u nagaan of u op schema ligt.

  • Gebruik positieve woorden Het werkt tegendraads als u beschrijft wat u niet wilt (of wilt voorkómen, verminderen, verkleinen, tegengaan of vermijden). Ontkennende woorden als ‘geen’ en ‘niet’ geven in opdrachten weinig of geen richting. Van plan zijn een bepaald soort werk niet meer te doen geeft niet aan wat u dan wél moet gaan doen. Bovendien bepalen ontkennende formuleringen u te veel bij wat u niet wilt. U krijgt de opdracht: ‘Denk niet aan een witte beer' en u denkt aan...? Juist, beschrijf daarom uw doel positief: waar u vóór bent, wat u wilt verwezenlijken, versterken of vergroten.
  • Heeft u voldoende invloed? U moet uw doel kunnen bereiken zonder afhankelijk te zijn van anderen die u niet kunt beïnvloeden of van voorwaarden waarvan u niet kunt overzien of die zich echt voordoen. Alleen dan kunt u zelf verantwoordelijkheid nemen voor het bereiken van uw doelen. Check uw eigen invloed voor elk van uw doelen. Wat moet u eventueel veranderen?
  • Nadelen of bijeffecten gecheckt? Het bereiken van het doel moet iets zijn waarvan u echt wilt dat het werkelijkheid wordt. Hoe zit dat met elk van uw doelen? Het is ook heel verstandig eens goed na te denken over de mogelijke onaangename bijeffecten die uw doel met zich mee zou kunnen brengen. Stel, er gebeurt een wonder en uw doelstelling is plotseling nu al verwezenlijkt. Al uw wensen zijn vervuld en de toestand is nu precies zoals u die in uw doelstelling hebt beschreven. Hoe voelt dat? Welke nadelen zijn er eventueel? In hoeverre kunt u deze voorkomen door het doel aan te passen? Of hoe kunt u ermee omgaan?

 

Ga nu naar stap 5 Plan vastleggen, uitvoeren en bewaken